Hoe is het verder gegaan met...?

September 2007: ik zit op kantoor in Rotterdam, bij anti-discriminatieorganisatie Art.1, drink veel koffie en probeer te begrijpen wat mijn collega’s aan het doen zijn. Ze hebben het allemaal ontzettend druk, maar waarmee en waarom, dat gaat langs me heen. Ze lopen maar te rennen met printjes en folders, de naam ‘Wilders’ valt vaak, en ik hoor mensen discussiëren over ene ‘Zwarte Piet’. Maar ja, ik ben nog maar net begonnen als ASF-vrijwilliger, dus ik hoef nog niet alles te begrijpen.

December 2015: ik zit weer op kantoor in Rotterdam, bij anti-discriminatieorganisatie RADAR/Art.1, drink nog steeds veel koffie en probeer aan mijn collega’s uit te leggen waar ik het zo druk mee heb. Zwarte Piet en Wilders zorgen nog steeds voor veel printjes en op en neer rennende collega’s. Ik ben geen ASF vrijwilliger meer, maar ik begrijp nog steeds maar voor een deel wat er binnen en buiten de organisatie allemaal gebeurt.

Weinig verandering, zou je zeggen. Maar wat is er in de tussentijd allemaal gebeurd?

Als dienstplichtige was ik vanaf het begin een van de ‘gedwongen vrijwilligers’. Ik was blij dat ik met ASF nog wel een interessante invulling voor mijn dienstplicht kon vinden, maar toch werd ik voor mijn gevoel ongevraagd uit mijn leven en studie gerukt. Terugkijkend ben ik daar juist heel erg blij om: niet om de onvrijwilligheid, maar wel om de ‘onderbreking’ die uiteindelijk veel nieuwe en andere dingen op mijn pad heeft gebracht. Toch heb ik veel bewondering voor de ‘echte vrijwilligers’ die ook zonder achterliggende dwang voor een ASF-dienst kiezen.

Doordat ik als ASF’er bij Art.1 geen vastomlijnde taken had, maar wel werd opgevangen in een veilige en sociale werkomgeving, kon ik de vrijheid en rust benutten om me inhoudelijk te verdiepen in onderwerpen als racisme en islamofobie, en tegelijkertijd ook buiten mijn werk nieuwe dingen op te pakken: een nieuwe stad ontdekken, naar de markt gaan, koken, muziek maken, fotograferen, lezen, politiek actief worden – allemaal dingen waar ik me tijdens mijn studie niet de tijd voor gunde.

Na mijn vrijwilligersdienst kon ik bovendien nog op dezelfde plek gaan werken, al hield de financiering daar al snel op en stapte ik over op een baan als beleidsonderzoeker bij een commercieel onderzoeksbureau. In een soort snelkookpan maakte ik kennis met de beleidswereld, de verschillende overheidslagen, de organisaties en structuren van de Nederlandse polder. Of ik nou onderzoek deed naar de gezondheidsrisico’s in de kappersbranche of naar Europese werkloosheidsuitkeringen, overal kwam ik een verzameling van verenigingen, expertgroepen, kenniscentra of overleggen tegen.

Ik verbaasde me er vooral over hoe klein al die verschillende Nederlandse ‘wereldjes’ waren. Binnen de kortste keren kon je die wereldjes binnenstappen, vrienden en vijanden maken. Juist als aanvankelijke buitenstaander kon ik me er vrij en gemakkelijk in bewegen. En toen er weer een mogelijkheid was om naar het wereldje van anti-discriminatieorganisaties terug te keren, kon dat net zo gemakkelijk.

Waar ik de professionele netwerken als open en flexibel heb ervaren, had ik meer moeite met de sociale netwerken. Vooral de tijd na mijn ASF-jaar, nadat ik had besloten om in Nederland te blijven, staat me nog goed voor de geest. Ineens was ik écht in Nederland, was er geen veilig ASF netwerk meer, in ieder geval niet in Rotterdam, en was dit gewoon mijn leven, geen tijdelijk uitstapje. De clichés van de Nederlandse agendacultuur (“ik zie dat ik over drie weken wel tijd heb om koffie te drinken”) en gesloten vriendengroepen maakten dit ‘tweede begin’ niet makkelijk. Tegelijkertijd lijken de vriendschappen die in die tijd zijn ontstaan des te hechter en waardevoller.

Als ASF’er heb ik me vanaf het begin erg Duits gevoeld in Nederland en dat is nog steeds het geval. Deels kies ik daar zelf voor, deels komt het door de reacties uit mijn omgeving, vooral in een politieke context. Bijvoorbeeld wanneer ik me erger aan de Nederlandse berichtgeving over Pegida, over Griekenland of over vluchtelingen. Soms krijg ik het verwijt van ‘Duitse overgevoeligheid’, soms juist weer complimenten voor mijn ‘kritisch, moreel Duits wereldbeeld’. Allebei ongemakkelijke, en waarschijnlijk onvermijdelijke kanten van dezelfde medaille. Waarbij het ongemak niet vervelend hoeft te zijn, maar juist tot interessante discussies kan leiden. Discussies die ik ook in de komende acht jaar ongetwijfeld nog vaak zal voeren.