“Ik weet dat ik niks gedaan heb, maar ik voel me alsnog soms schuldig”

Op 5 mei 2020 vieren we dat we 75 jaar bevrijd zijn. Elk jaar komen nog zeventien Duitse vrijwilligers naar Nederland om een jaar te werken bij oorlog gerelateerde organisaties. Ook in het Joods Cultureel Kwartier. Hier werkt Johanna Elfers (18) op verschillende locaties. Onder andere in het Kindermuseum en de Hollandse Schouwburg.

Johanna aan het bakken met kinderen in het Joods Historisch Kindermuseum
Copyright: Bellise von Raesfeld Meijer

De geur van versgebakken brood dringt je neus binnen als je door de deur van het Joods Historisch Kindermuseum loopt. Direct links van de deur zit een groepje kinderen op de bank met open mond te staren naar een filmpje. In het atelier krast een meisje met een potlood over het papier. Haar gezicht is in spanning samengetrokken en het puntje van haar tong steekt voorzichtig uit haar mond. Luid gebonk komt om de hoek vandaan. Daar rennen net kinderen hard de trap op. Je hoeft je neus en het geluid van de rennende kinderen maar achterna te lopen om uit te komen in de keuken op de eerste verdieping. Daar staat Johanna Elfers, een vrijwilliger van de Duitse organisatie Aktion Sühnezeichen Friedensdienste (ASF), Challes te bakken met een klein groepje kinderen.  

De organisatie
ASF is opgericht in 1958 om te helpen met de wederopbouw na de oorlog. Zo kwamen ze een jaar later in Nederland waar ze hielpen met het bouwen van huizen in de Rotterdamse haven. “Wat heel belangrijk is, is dat ASF geen wiedergutmachung is”, vertelt Johanna. “Bij wiedergutmachung verwacht je iets terug, namelijk vergiffenis. Dat is niet de bedoeling van ASF.” Het draait allemaal om Sühne: iets goed doen zonder iets terug te verwachten. “Wat er is gebeurd in de oorlog kan niet vergeven worden. Daarom proberen we goed te doen zonder een uiteindelijk doel.”

De keuken is gescheiden in twee kanten. De linker kant is blauw en stelt melkkost voor. De rechter kant is rood en staat voor vleeskost. De scheiding is er om een belangrijke joodse regel uit te kunnen leggen; melk en vlees mogen niet samen gegeten worden. In kleine groepjes bakt Johanna met de kinderen. Met hun volle aandacht op het deeg zijn ze aan het kneden, rollen en vlechten. Ondertussen probeert Johanna in haar beste Nederlands wat informatie te geven over de Joodse keuken. “Het lukt nu nog niet zo goed in het Nederlands, maar in het Engels en Duits kan ik al veel vertellen”, zegt Johanna. Alle informatie heeft ze geleerd toen ze een maand geleden begon.

Het challedeeg uitrollen tot slangetjes.
Copyright: Bellise von Raesfeld Meijer

Schuldgevoel
Op vrijdagen is ze in de Hollandse Schouwburg te vinden, een plek die door de Joodse geschiedenis getekend is. Familienamen van gedeporteerde overleden joden kun je vinden op de muren. Bij de informatiebalie liggen zware boeken met een rode kaft. Elke pagina is gevuld met geboorte- en sterfdatum van de gedeporteerde overleden joden. Overlijdensplekken zoals Sobibor en Auschwitz is iets wat ze allemaal gemeen hebben. “De eerste keer dat ik binnen liep voelde ik me zo schuldig. Vooral de muren met namen lieten een naar gevoel achter”, zegt Johanna.

Vroeger werd er niet gepraat over de rollen die Duitsers hadden in de oorlog. Dat kwam pas in de jaren zestig. Er brak een protest uit van studenten, die allemaal wilden weten wat hun ouders en familie hadden gedaan in de oorlog. In Johanna’s familie werd er nooit over gepraat. “Door oude foto’s waarop mijn overgrootvader is afgebeeld in een uniform van de Wehrmacht, het Duitse leger, weten we dat hij een rol speelde in de oorlog.” Zijn dochter, de oma van Johanna, heeft hem nooit gekend. Hierdoor weet ze niet wat hij precies heeft gedaan in de oorlog. In 1943 is hij gestorven aan het front in het tegenwoordige Wit-Rusland. “Bijna elke Duitser had iets te maken met de oorlog. Juist daarom is het belangrijk dat er zoiets bestaat als ASF.”

Toen Johanna aan haar opa vertelde dat ze van plan was om via ASF vrijwilligerswerk te doen was hij geen fan. “Mijn opa was zelf nog heel erg jong (5) in de oorlog. Toen ik vertelde dat ik dit ging doen, riep hij dat ik geen schuld had. Hij had toch ook geen schuld.” Hij had liever gewild dat ze ging reizen, maar Johanna is blij dat ze hier is. “Ik wil later misschien in een museum werken, dus dit is ook direct een soort test of dit is wat ik wil.”

Namen opgeschreven op alfabetische volgorde van de overleden gedeporteerde joden.
Copyright: Bellise von Raesfeld Meijer

Johanna zit op de eerste verdieping van de Hollandse Schouwburg te observeren. Ze heeft zich geplaatst op een stoeltje tegen de muur. Stilletjes houdt ze de bezoekers in de gaten. Mensen lopen in en uit de tentoonstelling over het concentratiekamp Bergen-Belsen. In stilte bekijken ze met koptelefoon de filmpjes. Soms wisselt iemand fluisterend een paar woorden met degene naast zich. Een jonge vrouw zit aandachtig te kijken naar de VR plattegrond van Bergen-Belsen. Plotseling start een filmpje op het scherm. De zaal wordt overspoeld door de harde woorden van een overlevende. Snel loopt de vrouw weg, nog om zich heen kijkend of iemand het heeft gemerkt. Johanna houdt ondertussen de tijd goed in de gaten. Zodra iemand klaar is met kijken turft ze op een vel papier. Het Joods Cultureel Kwartier heeft namelijk aan haar gevraagd om de tijdsbesteding van bezoekers te onderzoeken.

Samenwerken
In de Hollandse Schouwburg werkt Johanna met joodse vrijwilligers. In het begin vond ze dat best spannend. “Zij weten dat ik niets te maken heb gehad met de oorlog, maar het is toch mijn land die de oorlog was begonnen.” De joodse vrijwilligers zijn juist heel erg enthousiast over Johanna. “Ze pikt veel dingen snel op en haar Nederlands is al heel goed voor iemand die er pas een maand is.”

Zo rustig als het boven bij de tentoonstelling is, zo vol leven is het in de hal beneden. De joodse vrijwilligers en Johanna kletsen erop los. Maar zodra een nieuwe bezoeker binnenkomt schiet er iemand op af. Met een fotomap laten ze de geschiedenis van de Hollandse Schouwburg zien en vertellen ze hoe de deportatie vanuit de Schouwburg eraan toeging in de Tweede Wereldoorlog.

Geen Duits
Na de oorlog is de theaterzaal afgebroken. Het zou teveel pijn doen als het weer terug zou gaan naar een schouwburg. Alleen de overgebleven muren geven aan waar ooit het podium begon. Midden op het podium staat een hoge grote gedenksteen. ‘Ter herinnering aan hen die hier werden weggevoerd’ staat er in witte letters op de muur achter de gedenksteen. Johanna is eigenlijk wel blij dat het theater weg is. “Ik had het zoveel moeilijker gevonden om hier te werken. De sfeer van toen zou er dan nog hangen.” Zelf merkt ze vaak dat Duitsers het er nog steeds moeilijk mee hebben. “Vaak komen ze binnen en kijken ze een beetje twijfelend rond. Ze praten dan heel zachtjes Duits tegen elkaar.” Als Johanna dan vervolgens in het Duits tegen ze praat, praten ze in het Engels terug. “Volgens mij denken ze dat Duits echt niet gesproken mag worden.”

Tekst op de muur achter de gedenksteen.
Copyright:Bellise von Raesfeld Meijer

Een groep toeristen komt binnen. Aandachtig luisteren ze naar de gids. Zij vertelt dat ze een kind was in de oorlog en ondergedoken heeft gezeten. “Je hebt geluk dat je hier nog bent”, zegt iemand uit de groep. “Onthoud, het is normaal dat ik hier ben, maar dat de anderen hier niet meer zijn is niet normaal”, antwoordt de gids. Johanna begint het verhaal op te schrijven. “Zulke dingen wil ik precies opgeschreven hebben, omdat de verwoording zo mooi is.” Het verhaal ontroert haar. Op dit soort momenten realiseert ze zich hoe verschrikkelijk het allemaal was vroeger. “Het kan nooit vergeten worden, maar het hoeft ook niet vergeven te worden. Dat is onmogelijk.”

Bellise von Raesfeld Meijer