‘De oorlog: nee, die heb ik niet meegemaakt, maar….

Nederlandse les in het Wijkpastoraat, 2017

Mijn Nederlandse opa en oma woonden in 1940 in Rotterdam Zuid, met hun 9 kinderen. De oudsten waren tegen de twintig, de jongsten baby’s. Opa werkte in de haven en ook mijn vader ging als jonge jongen in de haven werken: als scheepstimmerman. De eerste jaren van de oorlog zijn ze redelijk ongeschonden door gekomen, maar in 1943 werden alle jongens die nog thuis woonden en die een bepaalde leeftijd hadden, opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Velen doken onder, maar mijn vader niet. Hij was in die tijd verloofd en zijn verloofde was terminaal ziek. Zij wilde niet dat hij ‘onvindbaar’ werd. Verder denk ik, dat het ook niets voor hem geweest zou zijn om onder te duiken. Daar was hij te rechtschapen voor, gehoorzaam ook aan overheden. Om haar is hij naar Duitsland gegaan, als timmerman. Zij overleed toen hij in Duitsland was.

Als timmerman was er veel werk te doen. Alle bombardementen van de geallieerden maakten veel schade aan vooral daken van huizen, door de brandbommen. Mijn vader is in diverse plaatsen geweest, maar het laatst van de oorlog in Braunschweig. Daar werkte hij in het Landes Krankenhaus (dat bestaat anno 2019 nog steeds).

Mijn Duitse opa en oma woonden in 1940 in Üfingen, een kleine plaats bij Braunschweig. Voor die tijd best bijzonder: mijn opa en oma waren gescheiden. Oma zorgde alleen voor de vijf kinderen. Ze was werkster voor een herenboer. Als alleenstaande moeder had oma weinig te makken, zoals we dat nu zouden zeggen. Geld voor schoenen was er bijvoorbeeld niet. De kleintjes gingen op blote voeten mee het land op, vóór schooltijd een hoeveelheid oogsten en dan snel naar school! Wat was oma blij met Hitler! Hij zorgde voor kleding, schoenen én vertier. Maar toen er Bijbels verboden werden, was het voor oma over. In het Nederlands vertaald zei ze altijd: geen Bijbel in huis, is niet pluis.

Met 12 jaar kwam mijn moeder in betrekking in Braunschweig- weer een mondje minder te voeden- , bij een slager in de huishouding. Toen een vriendin vertelde dat ze in het ziekenhuis heel veel verdiende, is mijn moeder van baan veranderd en werd ze zuster.

U raadt het al? In het Landes Krankenhaus in Braunschweig. De hele oorlog was ze daar zuster op de difterie-afdeling. Dat was redelijk rustig, want alles was zó besmettelijk dat niemand daar durfde te komen. Ook was er genoeg te eten, omdat de patiënten niet konden slikken. Controles waren er dus weinig. Zo heeft een aantal Nederlandse jongens, ondanks de schaarste, toch steeds te eten gekregen en zó zijn mijn vader en moeder verliefd geworden en getrouwd op 8 mei 1945. Als verliefd stelletje hadden ze nooit samen naar Nederland mogen komen, als echtpaar wel, maar ze hebben heel veel controles gehad om te kijken of mijn moeder geen spionne was.

Ik heb de oorlog niet meegemaakt, maar de oorlog heeft altijd in ons gezin een rol gespeeld. Het Duitse meisje dat met mijn vaderJoh meekwam, werd echt niet vriendelijk behandeld. Zeker niet in het uitgehongerde Rotterdam. Dat meisje leerde in 6 weken vloeiend Rotterdams, om maar niet op te vallen op straat. Dat meisje heeft als bejaarde ook nog vaak op straat niets durven zeggen, bang dat haar tongval zou zorgen voor onrust.

Op school leerde ik hoe slecht de Duitsers zijn geweest en dan hield ik altijd maar een beetje mijn hoofd schuin naar beneden. Ik wist al heel jong dat niet ‘alle’ Duitsers zo waren, maar zeggen durfde ik het niet. Pas in mijn middelbare schooltijd heb ik dingen durven vertellen.

Hoe bijzonder is het dat ik nu op mijn werk ASF-ers mag begeleiden als ze een jaar in Rotterdam zijn!? Zij hebben de oorlog niet meegemaakt en meestal is er ook geen ‘maar’. Toch zijn ze hier en dat houdt voor mij de herinnering levend aan mijn vader en moeder en hun verhalen.  Zeker ook om ze te vertellen!‘

Wilma van Hengel, projectpartner bij het Wijkpastoraat Oude Noorden in Rotterdam