Mentor in Coronatijd

Jeanette Loeb (links) in het Verzetsmuseum Rotterdam. Foto: Barbara Schöpping

5 mei 2020, Bevrijdingsdag. Vandaag vieren we dat we 75 jaar geleden bevrijd zijn van het naziregime van Hitler. Het is al in alle toonaarden gezegd dat het allemaal anders is. Het is vreemd en onwerkelijk om vandaag thuis te zitten. Het was nog vreemder om gisterenavond thuis voor de televisie te zitten. Sinds ik mentor ben en ieder jaar een vrijwilliger mag bemoederen, zit ik met mijn vrijwilliger op 4 mei in de Nieuwe Kerk bij de Nationale Dodenherdenking. Het is altijd een heel gedoe. In verband met alle veiligheidsmaatregelen moet je al vroeg aanwezig zijn. Het binnen laten van de gasten gaat langzaam omdat iedereen gefouilleerd moet worden. Tegen de tijd dat de herdenking begint ben je al een paar uur aanwezig. Een boterhammetje mee is geen overbodige luxe. 

Ik vind het heel bijzonder om daar te zitten met “mijn vrijwillig(st)er”. Tegen die tijd spreken ze redelijk goed Nederlands. Ik ervaar het als lastig wanneer ik in deze omgeving met een Duitssprekend iemand ben. Het kan gevoelig liggen bij sommige van de aanwezigen. Dus wij spreken er vrolijk in het Nederlands op los. De vrijwillig(st)er vind het ook heel speciaal om hier bij aanwezig te zijn en dat kan ik me goed voorstellen. Het is toch de Nationale Herdenking. Niet alleen de ministers en ambassadeurs maar ook de koning en de koningin zijn aanwezig. Van de Nieuwe Kerk naar het monument op de Dam lopen we door een militaire erehaag. Ik voel me daar ongemakkelijk bij. Deze militairen zien het als een eer om hier te staan, ik vind het moeilijk om zoveel uniformen om mij heen te hebben. Aangekomen op de Dam kunnen we gelukkig zitten.Mijn vrijwillig(st)er is tegen die tijd meestal helemaal overdonderd door zoveel officieel gedoe. 

En dan de 2 minuten stilte. De stilte op de Dam wordt hoorbaar door de enkele vogels die zich er gelukkig niks van aantrekken. Het kwetter van een vogel maakt de stilte voelbaar. Het indrukwekkendste moment waarop ik niet alleen mijn vermoorde familieleden herdenk maar ook stil sta bij het feit dat ik hier met een jonge Duitser sta. Een nieuwe generatie, een jongere die het belangrijk vindt om via ASF hier vrijwilligerswerk te doen. Iemand die zich verdiept in het Nederland tijdens de Duitse bezetting en met name in de Shoah, de jodenvervolging. Een jongere met idealen, die de wereld een stapje verder wil brengen. Die zich inzet voor de vrede. Iemand die zich rekenschap geeft van de geschiedenis en graag daar iets tegenover wil stellen. Daar denk ik ook aan in die 2 minuten stilte. Dat beroert mij, dat emotioneert mij. En ik prijs mij gelukkig dat ik dat zo mag meemaken.

En dat is er dit jaar allemaal niet bij. Mijn vrijwilligster zit thuis in Duitsland en ik zit thuis op de bank. Maar we dachten wel aan elkaar. Ik wilde haar een mailtje sturen en ontdekte dat ze mij er al een gestuurd had. Ze maakt het goed maar heeft het niet naar haar zin. Ze was zo blij met haar werk bij het JCK, ze voelde zich gelukkig in Amsterdam. Ik was ook blij met Johanna. Een enthousiaste jonge vrouw die in een paar weken het Nederlands onder de knie had. We spraken elkaar regelmatig en ik zag haar opbloeien van een bedeesd meisje naar een sterke jonge vrouw die blij was met het zelfstandige leven dat ze hier kon leiden.

De uitbraak van de Coronacrisis leidde ook bij haar tot grote onzekerheid en spanning. Terwijl ze in een seminar in Den Haag zat kreeg ze bericht dat het museum gesloten werd. We hadden contact. Wat te doen nu er geen werk meer is. Na het seminar terug in Amsterdam werd de volle omvang van de crisis duidelijk. Ze wilde hier blijven, ze was van Amsterdam gaan houden. Ze bleef liever hier dan weer thuis te zijn. De verantwoordelijkheid van ASF voor de vrijwilligers was een ander probleem. Zolang het mogelijk was om nog te reizen, wilde wij dat iedereen naar huis ging. Wij weten niet hoe lang dit gaat duren, gaan de grenzen dicht? Het waren een paar hectische dagen waarin ik veel contact had met Johanna. Ik begreep haar enorme verdriet om terug naar huis te gaan en niet wetend of en wanneer ze weer terug kon komen. 19 jaar oud en voor het eerst volledig zelfstandig in werk en leven. Dat wil je niet inleveren, daar wil je juist meer van. Ik heb haar geprobeerd te troosten. Ze had zich al ingeschreven bij de Universiteit van Utrecht om geschiedenis te gaan studeren. Ik hoop dat dat door kan gaan na de zomer. Dan komt ze weer hier en zien we elkaar weer.

Voorlopig hebben we mailcontact, in het Nederlands zodat ze straks niet van voren af aan hoeft te beginnen.

Jeanette Loeb