Op elke deur een naam

Vrijwilliger Christoph von dem Bussche aan het werk in Beth Shalom. Foto: Amiad Ilsar

Deuren staan open. Op vele verdiepingen. Op de deuren staan namen. In de kamers staan verlaten persoonlijke spullen. Spullen die worden ingepakt door verhuizers met groene broeken, rode truien en blauwe mondkapjes. Het zijn veel spullen. Een verhuizer zegt tegen mij dat hij achtendertig dozen uit een kamer heeft gehaald. Wat ooit een compleet leven was, is bij aankomst in het verpleeghuis al gereduceerd tot 38 dozen en wat meubilair.  Nu wordt het uit een kamer gehaald. Een kamer met een naam op een deur.  Een kamer die vaak gevuld was met meubels van een ver of minder ver verleden. Via een open deur zag ik oude dressoirs, lampen met peertjes en bijzettafeltjes. Het zou zo van mijn oma kunnen zijn. De vele foto’s aan de muur en op de vensterbank waren al verdwenen. Ingepakt in de vele dozen. 

In de kamers staan vaak ook nog een rollator en/of een rolstoel. Hulpmiddelen die hielpen om een kamerbewoner uit de kamer te helpen. De kamer met een naam op de deur, er ooit opgeplakt bij aankomst van de bewoner. Het ooit wat soms jaren geleden is, want ooit konden mensen op andere gronden hier komen wonen. In het nu blijven mensen niet zo lang en veranderen de namen op de deur heel snel. Namen die verdwijnen en namen die komen. Het is een routine in een verzorgingshuis als die van ons. Maar nu zijn er heel veel kamers tegelijkertijd die leeg worden gehaald en waar namen achterblijven als stille getuigen van een lang leven, dat tot einde is gekomen. 

Het verdriet is groot, de stilte van de leegte is drukkend. Achter al deze namen waren mensen, mannen en vrouwen, ouders, alleenstaanden, opa’s en oma’s, geliefden. Allemaal ouderen, die door ouderdom zwak waren. Mensen met onderliggende problematiek, zoals ze deze dagen in de media werden genoemd.  

De Corona-uitbraak begon half maart. Één bewoner werd in het ziekenhuis opgenomen, nadat hij was opgehaald door ambulancepersoneel, die eruitzagen als marsmannetjes. Enkele dagen nadat de man was opgenomen en daarna overleden, verschenen er veel deuren met – -  -behalve namen- ook een rode stophand. Deze hand gaf aan: ‘Niet betreden. De kamerbewoner is besmet met het Corona virus.’ Je kunt niet zomaar de kamer in. Er was een protocol dat het dragen van beschermende kleding vereiste om de kamer te kunnen betreden. Deze kleding lag op tafeltjes samen met een alcohol in een pompje, naast de deur met de naam. Het ziekteproces van de bewoner met de naam, bleef voor mij verborgen achter deze deur. Het waren er heel veel. Veel te veel. En dan komt de dag dat ik mij na thuiskomst warm voelde. Ik had verhoging. Vervolgens dook ik in mijn bed in en bleef ik daar een week. Ik was hondsmoe, niet in staat om zelfs een etage naar beneden te gaan om te eten. 

In deze week belde ik regelmatig met de receptie en werd ik geïnformeerd over degene die overleden waren. Het ging hard. Soms drie, vier bewoners per dag. Allemaal personen met een naam, allemaal kamers die nu leeg zijn. 

Achter elke naam zijn voor ons als medewerkers herinneringen verbonden. Herinneringen die we met ons meedragen en nu nog in het geheugen ophaalbaar zijn. Maar nog even en dan zullen er andere namen op deuren verschijnen en is alles geschiedenis. 

Mogen de zielen van alle overleden bewoners worden gebundeld in de bundel van het eeuwige leven. 

Amiad Ilsar, projectpartner bij Beth Shalom
(Dit bericht is eerder geplaatst op het blog ‘Uit het leven in een verzorgingstehuis’)